Er is meer dan genoeg ruimte voor leedvermaak in de IT. Soms is het gewoon prettig te weten dat, hoe zwaar je het soms ook hebt, er altijd mensen zijn die het bonter weten te maken dan de klanten waar jij in je dagelijkse praktijk mee te maken krijgt.
Het leven van een IT-manager gaat niet over rozen. Zijn het de gebruikers niet die je een voet dwars zetten, dan is het wel de crisis. En dan maken we zelf nog wel eens een foutje ook. Je kunt twee dingen doen: je de haren uit het hoofd trekken en voor of na je burn-out een andere baan gaan zoeken, of je vermaken met en leren van je fouten. Of beter nog: van de fouten van anderen, want die zijn niet alleen leuker, maar er zijn er ook meer van.
Na het succes van
Zelf ook wat meegemaakt dat je wilt delen? Mail ons op
Lang, lang geleden (in 1977) was ik net afgestudeerd in de Informatica (toen we nog niet echt wisten wat een graad in Informatica voor moest stellen) en werkte ik bij een grote software ontwikkelaar. Als nieuweling kreeg ik natuurlijk de klusjes toebedeeld die niemand anders wilde doen; zo moest ik een programma schrijven op de gloednieuwe Prime 1 minicomputer om ponskaartgegevens van het formaat van het ene energiebedrijf te vertalen naar dat van het andere. (Een ponskaart was een standaard kaart van 80 kolommen met een gat erin voor een stukje microfiche.)
De eindgebruiker was een secretaresse van in de vijftig; denk aan een beehive-kapsel en wasbeerachtige mascara. Iemand met een extreem wantrouwen tegenover en angst voor dergelijke “computerdingen”.
In die tijd was ik best een brutaal jong. Ik vulde het programma met foutmeldingen als “Sukkel! Alleen een idioot zou DAT intypen als ik om numerieke invoer vraag!” En nog veel erger. Voordat ik het programma vrijgaf om het te laten testen (door deze zelfde technofobische gebruikster) veranderde ik alle foutmeldingen in saaie “Fout XYZZY: Ongeldige invoer, verwacht numeriek 0-9” enzovoorts.
Althans, dat dacht ik...
Probleem: De secretaresse zat trillend achter onze prachtige nieuwe monochrome monitor en begon de aanwijzingen in mijn gebruikershandleiding te volgen... en voerde meteen iets in (geen flauw idee wat) dat overduidelijk fout was. Het programma liet meteen een hele reeks piepjes horen, gevolgd door zoiets als “STOMME IMBECIEL! Ik kan niet geloven dat je DAT hebt ingetypt! Met dit soort achterlijke invoer wil ik NIETS te maken hebben!!!” waarna het programma zichzelf beëindigde.
Ze zat daar, met stomheid geslagen. Er liep eerst een beetje mascara uit beide ogen en toen een hele stroom, terwijl ze snikte: “HIJ HAAT MIJ!”.
In een scène die sterk aan “Short Circuit” deed denken (terwijl die pas jaren later uit zou komen) probeerde ik uit te leggen dat het maar een computer was, dat hij haar niet haatte of aardig vond, het was mijn schuld, ik was gewoonweg vergeten een foutmelding op te schonen, enzovoorts enzovoorts. Maar ze vluchtte over haar toeren de damestoiletten in terwijl ik door mijn collega’s werd uitgelachen en vermanend toegesproken. (En wat hadden ze een lol...)
Iets meer dan een dag later had ik de interface herzien. Het keek nu naar de klok en typte: “Goedemorgen, Doris. Leuk je te zien. Zullen we aan het werk gaan?” Enzovoorts – het kletste, het was enorm vriendelijk, en niet eng.
Doris werd verteld dat ze zou worden ontslagen als ze niet terug de stoel in ging. Log in, start het programma, een verraste en blije blik op de groet. En ze antwoordde, hardop: “Dank u wel! Ook goedemorgen!”
Gevolg: Ze gebruikte het programma uiteindelijk dagelijks. En beantwoordde elke beleefde reactie van de machine hardop. Ze zei dat hij nu haar vriend was, en haar aardig vond – hoe vaak je het ook zei, het was niet aan haar verstand te brengen dat het maar een computer was.
Moraal: Ik ging er een jaar later weg; geen idee hoe lang haar eenzijdige verbale vriendschap geduurd heeft, maar geloof me, ik stop nooit meer iets in een gebruikersinterface dat ik niet in het uiteindelijke product wil hebben zitten...
(En nee, ze heette niet echt Doris. Waar ze ook is – jeetje, ze zou inmiddels in de tachtig moeten zijn – ik hoop dat ze dit nooit te zien krijgt. Mocht ze het wel zien, dan hoop ik dat ze zichzelf niet herkent. Een vrouw één keer in haar leven aan het huilen maken is meer dan genoeg.)