Wereldwijd zien steeds meer bedrijven de waarde van groene technologie in, en dan gaat het niet alleen om IT-leveranciers als HP, IBM, Cisco of Dell.
Grotere en kleinere organisaties, van universiteiten tot multinationals als Procter & Gamble, omarmen duurzame technologische toepassingen. Doorgaans doen ze dit om dezelfde redenen: met groene technologie kun je geld besparen, de uitstoot van CO2 moet omlaag, er moet worden voldaan aan regelgeving en iedereen heeft simpelweg de morele plicht om bij te dragen aan een schoner milieu.
Een enorme variëteit aan organisaties werkt dus aan de implementatie van groene technologie, om er uiteenlopende duurzaamheidsdoelstellingen mee te bereiken. Dat is ook het mooie aan groene technologie, van een efficiënte energievoorziening tot server-virtualisatie en van teleconferencing tot effectief ketenbeheer: voor iedere onderneming in welke sector dan ook liggen er mogelijkheden. Mogelijkheden die in veel gevallen niet alleen een beter milieu, maar ook een dikkere portemonnee opleveren. En toch, hoe prachtig dat allemaal ook klinkt, de implementatie ervan blijkt in de praktijk allerminst probleemloos te verlopen. Al die mogelijkheden om groene technologie in te passen leiden namelijk tot lastige afwegingen. Waar moet een CEO, CIO, CSO (Chief Sustainability Officer), CTH (Chief Tree-Hugger), of wie er in een bedrijfsorganisatie ook verantwoordelijk mag zijn voor het ontwikkelen van een groen beleid, beginnen?
Onderzoeksbureau Forrester publiceerde onlangs een rapport met richtlijnen die managers kunnen helpen om groene technologie op de agenda van hun bedrijf te zetten. Volgens de auteurs van dit rapport, Doug Washburn en Christopher Mines, begint dat proces met “inzicht in de plaats die zowel duurzaam IT-beleid als de uitwerking daarvan binnen je organisatie inneemt”. Van daaruit kan worden bepaald welke duurzame technologieprojecten zinvol zijn binnen je organisatie. Bovendien moet zo’n uitgangspunt helpen bij het bepalen van methoden om het succes van dergelijke projecten te meten en te vergroten.
Tot zover klinkt het niet als hogere wiskunde. Het is in eerste instantie dus van belang dat je de onderdelen in je organisatie aanwijst waar als eerste een groene ommezwaai kan worden gemaakt. Als je bedrijf over een datacentrum beschikt, is dat vaak de meest voor de hand liggende afdeling waar winst kan worden geboekt. Doorgaans zijn het bijzonder inefficiënt functionerende locaties, met servers die niet volledig worden gebruikt en inefficiënte koelsystemen.
Een andere plaats die zich doorgaans uitstekend leent voor ‘verduurzaming’ is het facilitair beheer. Denk bijvoorbeeld aan de verlichting en de airco in je gebouw. Maar daar blijft het uiteraard niet bij, en als je goed om je heen kijkt zul je veel meer mogelijkheden tot vergroening zien. In de meeste kantoren staan iedere dag talloze pc’s en beeldschermen aan, zonder dat ze worden gebruikt. Werp eens een blik in de oud-papiercontainer (als die er is) en verbaas je over de enorme hoeveelheid enkelzijdig geprinte A4’tjes. En dan heb je nog de kelderruimte waar je personeel liever niet komt, en die uitpuilt van de verouderde computers, printers en andere randapparatuur die weg ligt roesten.
Het verduurzamen van de genoemde bedrijfsonderdelen (het datacentrum, de faciliteiten en de IT-middelen) valt volgens Forrester in de categorie ‘Groene IT 1.0’. Dat impliceert meteen dat er ook een ‘Groene IT 2.0’ is, en in die categorie vallen de niet-fysieke processen die op een meer milieuvriendelijke manier kunnen worden ingericht. Denk daarbij aan bedrijfsplannen en -strategieën, aan ketenbeheer en aan de wijze van interne communicatie (videoconferencing, teleconferencing). Nog een stap verder kom je bij meer politiek bepaalde zaken, die zich nu nog achter de horizon van de meeste bedrijven bevinden. Denk daarbij met name aan openbare-ruimtebeleid en aan infrastructuur, waarbij concepten zoals smart grid, groene planologie en klimaatbeleid om de hoek komen kijken.
In het rapport van Forrester staat dat bedrijven aan de hand van de hierboven beschreven categorieën een startpunt voor hun milieubeleid vast zouden moeten stellen, door inzichtelijk te maken welke groene projecten er al lopen en in hoeverre ze succesvol zijn. De auteurs van het rapport geven aan dat in zo’n overzicht zaken kunnen worden genoemd als “het terugdringen van het energiegebruik door pc’s bedraagt nu 40 procent in plaats van de beoogde 80 procent, de efficiëntie van het servergebruik is 20 procent verbeterd in plaats van de beoogde 50 procent”.
Verder wordt in het rapport een checklist gegeven met mogelijke projectcategorieën en subcategorieën, die stuk voor stuk kunnen worden beoordeeld met “moet worden verbeterd”, “wordt verbeterd”, “ligt op schema” en “best mogelijke prestatie behaald”. Onder de categorieën op deze lijst staan bijvoorbeeld het Datacentrum, de Fysieke IT-middelen en Operationele zaken. Onder de categorie Processen en Aansturing hangen vervolgens subcategorieën als ‘Groen IT actieplan’, ‘naleven van milieuregelgeving’ en ‘plan voor vermindering van elektronisch afval’. Onder de categorie Datacentrum vind je onder andere de subcategorieën ‘onderhoud faciliteit en efficiënte inzet van middelen’, ‘optimalisatie datacentrum-architectuur’, ‘systeemmanagement’, ‘efficiëntie servergebruik en energie’ en ‘applicatiebeheer’.